Het spel van licht en donker

Constantijns wereld

In deze rubriek bespreken wij boeken die gaan over Constantijns wereld.

Tik op de afbeelding voor de bespreking.

 

Home > Het spel van licht en donker

Het spel van licht en donker

Mathias Rozemond, Het spel van licht en donker. Roman over de jonge Rembrandt. Amsterdam, Uitgeverij Luitingh-Sythoff b.v. eerste druk 2018, tweede druk 2019. 365 pp. ISBN 978 90 245 7681 4. Prijs: € 19,99

Op deze website met boeken over Constantijn Huygens’ leefwereld, mag deze historische roman niet onbesproken blijven, al was het maar omdat de ‘ontdekker van Rembrandt’ er een rol in speelt. Juist nu Huygens’ Hofwijck met een film en een tentoonstelling aandacht gaat schenken aan de relatie tussen Rembrandt en Huygens, maakt een roman over de jonge Rembrandt extra nieuwgierig.

Met deze roman brengt Rozemond zijn lezer naar Leiden, naar de jaren 1617-1630, en naar Amsterdam in 1631 en 1632, waar het einde van het boek zich afspeelt. Met rake details weet hij een historisch verantwoorde couleur locale aan te brengen tegen de achtergrond waarvan hij de eerste jaren van Rembrandts kunstenaarschap tot leven brengt. De armoede en werkeloosheid onder de Leidse wevers van Zuidnederlandse afkomst, de godsdiensttwisten tussen remonstranten en contraremonstranten, de beruchte schout De Bont, de exotische waren die met de VOC de Republiek bereikten, zijn hier voorbeelden van.

Rozemond heeft zijn verhaal vaart en spanning gegeven door als centraal thema de vriendschap te nemen tussen drie Leidse jongens: Rembrandt van Rijn, Jan Lievens en Aris Kindt. Alle drie zijn het historische figuren die werkelijk geleefd hebben in de zeventiende eeuw. Alle drie zijn ook historisch bewijsbaar min of meer met Rembrandt verbonden. Uiteraard geldt dit het meest voor Lievens en Rembrandt, die beiden beroemde kunstschilders zijn geworden. De vriendschap tussen Rembrandt en Aris Kindt krijgt aan het einde van de roman een slotakkoord dat ik hier niet zal verklappen.

De roman kent een chronologisch verloop. Hij is opgebouwd uit zeven delen, die elk weer in kleinere hoofdstukken zijn onderverdeeld: (1) ‘De jonge jaren. 1617’, (2) ‘Jan Lievens’, (3) ‘Aris Kindt’, (4) ‘Op eigen benen’, (5) ‘Den Haag’, (6) ‘Amsterdam’ en (7) ‘Tulp’. De delen beschrijven Rembrandts ontwikkeling vanaf zijn pogingen om schilder te worden tot de opdracht die hij in 1632 ontvangt om Dr. Tulps anatomische les te schilderen. We leren hem kennen als een talentvol jongetje dat liever schilder wordt dan naar de Latijnse school te gaan. We volgen hem als leerling bij meester Van Swanenburgh in Leiden en Pieter Lastman in Amsterdam. We maken mee hoe hij in contact komt met Jantje Lievens, het Leidse wonderkind dat al op achtjarige leeftijd aan zijn schilderscarrière was begonnen. Lievens en Rembrandt vinden elkaar in de kunst als ‘medestrevers’. Ze delen een atelier en stimuleren elkaar. Rembrandt volgt Lievens na in zijn experimenten met licht en donker, maar ook in zijn manier van kleden. Als Lievens naar Engeland is, komt Rembrandt meer op ‘eigen benen te staan’ (deel 4). Hij ontdekt de liefde met het weversmeisje Machteld dat eerder al Lievens bekoorde. Hij neemt Gerard Dou en Isaac Jouderville als leerlingen aan en gaat in zee met de Amsterdamse kunsthandelaar Uylenburgh, die werk van hem verkoopt. Rembrandt vestigt zich vervolgens in Amsterdam en ontmoet daar Saskia, zijn grote liefde.

Rozemond heeft zich grondig verdiept in de kunsthistorische literatuur over Lievens en Rembrandt. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de soms terloopse beschrijvingen van de werken waaraan beide kunstbroeders bezig zijn. Enkele beroemde schilderijen als ‘De berouwvolle Judas’ door Rembrandt, spelen een prominentere rol. Op zijn website (www.matthiasrozemond.com ) geeft Rozemond een overzicht van de vijftien schilderijen die voorkomen in zijn roman. Ook de experimenten die de jonge rivalen uitvoeren, worden met kennis van zaken beschreven. De lezer leert veel over de pigmenten waarmee ze hun verven maken, over gronderingen, maar ook over het prepareren van koperplaatjes waarop geëtst wordt.

De kunsthistorische feiten geven mét de historische zaken waaraan de schrijver refereert, deze historische roman een stevige basis voor een boeiende, goed vertelde en overtuigende fictionele laag die je als lezer doet vergeten dat wat je leest verzonnen is. Ik geef twee voorbeelden: Uit Huygens’ jeugdautobiografie die hij schreef tussen 1629 en 1631, kennen we zijn beschrijving van Rembrandts schilderij ‘De berouwvolle Judas’ en ook zijn vergelijking van Rembrandt met Lievens. Beide onderwerpen krijgen een plaats in de roman. Hoe het atelierbezoek van Huygens verliep, weten we niet. Ik vind het heel vermakelijk om in deze roman Huygens’ aanwezigheid als het ware door de ogen van Rembrandt en Lievens beschreven te zien. Ze vinden hem maar een ‘kwal’, een met zichzelf ingenomen persoon, die zijn snorretje opkrult, aan zijn sikje trekt en nogal arrogant overkomt. Lievens parodieert hem zelfs. Mijn tweede voorbeeld betreft het voorkomen van wat we nu misschien wel het beroemdste door Rembrandt geschilderde paar kunnen noemen: Marten Soolmans en Oopjen Coppit. Rembrandt schilderde hen in 1634, een jaar dat in de roman niet meer aan de orde is. Maar beiden heeft Rozemond wel al laten figureren in zijn roman. De steenrijke Marten studeerde in Leiden en kan daar werkelijk Rembrandt hebben leren kennen. In de roman is hij degene die een etspers koopt voor Rembrandt en als tegenprestatie van hem vraagt Isaac Jouderville als leerling aan te nemen. Dat Marten ook nog iets te maken heeft met Aris Kindt is geheel en al fictie. Het optreden van deze Aris Kindt, Rembrandts andere vriend die af en toe opduikt in de roman en hem dan een spiegel voorhoudt, is ook fictie. Verzonnen is ook dat Oopjen bevriend zou zijn geweest met Saskia van Uylenburgh.

In de fictionele laag plaats ik ook de persoonlijke, emotionele ontwikkeling van de jonge Rembrandt. In 1617 is hij nog een sneeuwballen gooiende jongen, die vijftien jaar later in Amsterdam een succesvolle kunstschilder is vol zelfkennis. Ook in deze ontwikkeling heeft Rozemond zijn lezer meegenomen. Met een groot inlevingsvermogen schetst hij Rembrandts vader en moeder en hun rol in zijn leven. Rozemond heeft oog voor de onzekere adolescent, voor de jongen die voor het eerst vrouwelijk naakt ziet en voor het eerst verliefd wordt en seks heeft.

Matthias Rozemond heeft een boeiende historische roman geschreven. Het (kunst)historische feitenmateriaal is op een intelligente manier vermengd met fictie. Het resultaat komt door de vaardige pen van de auteur zeer authentiek over. Rozemonds pen heeft, wanneer hij de wisselende hemel of overtrekkende vogels beschrijft, soms zelfs iets weg van een penseel. En een enkele keer is zijn pen ook humoristisch, bijvoorbeeld waar hij de drukte in Amsterdam beschrijft met een knipoog naar onze tijd (p. 362: ‘Inhouden voor voetgangers, daar deed de Amsterdamse wagenmenner niet aan’). Kortom, ik kan Het spel van licht en donker iedereen aanraden.

Ad Leerintveld